Niet al het goede komt van boven

Een vrouw stapte op Schiphol aan boord van het door haar geboekte vliegtuig en ging zitten op haar stoel. Een medepassagier probeerde boven haar hoofd een bagagestuk in een van de overhead bins te plaatsen. Maar hij liet het vallen waardoor het bovenop het hoofd van de vrouw terecht kwam. Een van de stewardessen waarschuwde de medische dienst van de luchthaven waarna de vrouw werd onderzocht. Daarna vervolgde zij haar reis weer. Maar tijdens de vlucht werd zij onwel waarna een arts die toevallig aan boord was haar behandelde. De vrouw stelde de luchtvaartmaatschappij aansprakelijk.

Het Hof ging uit van het Verdrag van Montreal dat ook opgenomen is in de Europese wetgeving. Omdat alle partijen zich konden vinden in de door de rechtbank aangenomen toepasselijkheid van dit verdrag, ging het Hof hiervan uit. Het plaatsen van handbagage in overhead bins gebeurt over het algemeen met weinig manoeuvreerruimte in een beperkte ruimte. En dat degene die de handbagage boven zijn hoofd in de bins moet plaatsen zich geregeld over een of meerdere stoelen moet buigen, is typerend voor luchtvervoer. Er was daarom sprake van een ongeluk in de zin van artikel 17, lid 1 van het Verdrag van Montreal. Daarom is de luchtvaartmaatschappij aansprakelijk voor de schade van de vrouw, voor zover deze de in dit artikel genoemde 100.000 bijzondere trekkingsrechten niet te boven gaat. Alleen als de luchtvaartmaatschappij bewijst dat a) de schade niet te wijten was aan de schuld of nalatigheid van haar of van haar hulppersonen, of b) de schade uitsluitend te wijten was aan de schuld of nalatigheid van een derde, blijft de aansprakelijkheid beperkt tot dit bedrag. Kan dit niet worden bewezen? Dan is de luchtvaartmaatschappij ook aansprakelijk voor de hogere schade.

De luchtvaartmaatschappij wil – net als alle luchtvaartmaatschappijen – dat haar passagiers zelf hun bagage opbergen. Passagiers kunnen hierbij als dat nodig mocht zijn op verzoek geholpen worden. Maar daarmee is het zeker geen vanzelfsprekendheid dat het cabinepersoneel handbagage voor passagiers opbergt. Te zware of te grote handbagage mag om veiligheidsredenen niet worden meegenomen in de cabine. Ook bieden de overhead bins maar beperkt plaats voor handbagage. Daarbij is de tijd om de bagage te plaatsten zeer beperkt. De luchtvaartmaatschappij betwistte dat de onderhavige handbagage zwaarder dan acht kilo was of ongebruikelijk groot zou zijn geweest. Verder merkte zij op dat voor verschillende klassen andere regels gelden. Passagiers die in een luxe klasse reizen en clubmembers mogen meer gewicht en grotere handbagage meenemen. De vrouw reisde Y Class en in die klasse is het maximum toegestane handbagagegewicht 8 kilo met de maximale afmetingen van 22 x 17 x 10 inch, of in totaal 45 inch. Maar de vrouw betwistte dit.

Het Hof deed de volgende uitspraak:

Van de luchtvaartmaatschappij kan redelijkerwijs niet verwacht worden dat zij elke passagier helpt met het plaatsen van handbagage in de overhead bins. Daarbij heeft het Hof meegenomen dat uit de verklaringen van de tijdens het ongeval dienstdoende cabin steward [X] en purser [Y] blijkt dat zij het ongeval niet hebben gezien. Ook kon er uit hun verklaringen niet worden opgemaakt dat er vlak voor het ongeval een aanleiding was geweest om de betrokken medepassagier te helpen met het plaatsen van de handbagage in de overhead bins.

Voldeed de gevallen bagage wel aan de voorgeschreven zwaarte en afmetingen? Het Hof concludeerde dat de luchtvaartmaatschappij niet verplicht was gesteld om dit soort ongevallen te voorkomen nu de luchtvaartmaatschappijen ook zwaardere en grotere handbagage toestonden. Maar de luchtvaartmaatschappij had geen concrete en feitelijke informatie gegeven over de handbagage. Zij had het in haar conclusie van antwoord enkel gehad over “controleprocedures handbagage en veiligheidsinstructies aan personeel en passagiers”. Dit herhaalde zij nog eens in hoger beroep. Ook had ze geen ongevalsrapportage opgemaakt waarin de specifieke feiten en omstandigheden waren vermeld, zoals de zwaarte en grootte van de onderhavige handbagage. Omdat er geen ongevalsrapportage was opgemaakt, kon niet worden uitgesloten dat de betreffende handbagage zo zwaar of groot was geweest dat de luchtvaartmaatschappij redelijkerwijs rekening had moeten houden met de mogelijkheid van een dergelijk ongeval en voorzorgsmaatregelen had moeten treffen. Zoals het niet toestaan ervan als handbagage. Of ervoor zorgen dat de medepassagier geholpen zou worden met het plaatsen van de handbagage in de overhead bins. De luchtvaartmaatschappij was dus ook aansprakelijk voor de schade als deze de 100.000 trekkingsrechten te boven zou gaan.

Voor de vrouw was de zaak hiermee nog niet afgedaan. Er werd daarna nog geprocedeerd over de omvang van de schade. Stond het beweerde blijvende letsel wel in causaal verband met dit ongeval? Daarover heeft de rechter recent uitspraak gedaan. Op grond van medische expertises had de rechtbank eerder al geoordeeld dat haar klachten op zich veroorzaakt konden zijn door het ongeval. Met uitzondering van de angst voor flauwtes en de last van geluiden. Het ging daarna nog om de vraag of de vergeetachtigheid, concentratieproblemen, snelle vermoeidheid en duizeligheid ook in causaal verband stonden met het ongeval. Op basis van de bevindingen van de psycholoog merkte de rechtbank de psychologische stoornis aan als een psychische predispositie. Dat wil zeggen een in haar persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden gelegen factor die haar extra kwetsbaar heeft gemaakt voor het ervaren van haar klachten.

Maar deze psychologische stoornis heeft zich niet na of door het ongeval ontwikkeld maar bestond al vóór het ongeval. Maar het ervaren van de genoemde klachten heeft zich pas gemanifesteerd net na het ongeval. De klachten passen volgens de neuroloog bij een PCS als gevolg van het ongeval. Naar het oordeel van de rechtbank konden de klachten dan ook worden beschouwd als gevolg van het ongeval. Dat de bijzondere kwetsbaarheid voor het ervaren van klachten er al was in de vorm van een psychologische stoornis vóór het ongeval doet dus niets af aan het ervaren van klachten als gevolg van het ongeval.

Op grond hiervan oordeelde de rechtbank dat er sprake was van een causaal verband in de betekenis van condicio sine qua non tussen de klachten in de periode 2006-2008 en het ongeval. De rechter wees daarop een verlies van verdienvermogen van € 17.295,18 toe, ziektekosten van € 305,22, huishoudelijke hulp van € 7.396,67 en zelfwerkzaamheid van € 131,10. Wat een totaalbedrag opleverde van € 25.128,17.

Daarnaast vorderde de vrouw nog € 100.000,- smartengeld. De rechter stelde dat de rechtbank deze vergoeding voor immateriële schade vast moest stellen. De vrouw had drie jaren klachten ervaren die zodanig ernstig waren dat zij niet meer kon functioneren en werken, wat leidde tot een inkomensterugval. Daardoor kon zij de woning waarin zij destijds met haar 16-jarige zoon woonde niet langer betalen en kon zij pas anderhalf jaar later een andere woning betrekken. Dit leidde tot gederfde levensvreugde. Alles afwegend, begrootte de rechtbank de geleden immateriële schade op € 6.000,-, vermeerderd met wettelijke rente.

Zoveel procederen voor uiteindelijk maar rond € 30.000,-. De vraag is of het de vrouw – na aftrek van haar advocaatkosten enzovoort – nog wel wat heeft opgeleverd.