Regresvordering voor re-integratiekosten valt niet onder het civiel plafond

Een werkgever kan ook regres vorderen voor de kosten die hij maakt om een werknemer die arbeidsongeschikt is weer te re-integreren. Dat volgt onder meer uit de artikelen 3a van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren en artikel 6:107a, lid 3 BW.

Nu geldt voor het regresrecht in het algemeen het civiel plafond. Dat wil zeggen dat de aansprakelijke niet meer hoeft te betalen dan wanneer hij alleen door het slachtoffer was aangesproken. Dat is ook waarom de werkgever alleen het nettoloon kan vorderen. Had de werkgever het loon niet doorbetaald tijdens de ziekte, dan had het slachtoffer (de werknemer) enkel het nettoloon gederfd zodat hij ook zelf slechts gederfd nettoloon van de veroorzaker had kunnen vorderen.

In de volgende zaak (ECLI:NL:GHSHE:2019:691) werd een werknemer van een kapperszaak mishandeld terwijl hij buiten een kroeg met vrienden een sigaretje rookte. De werkgever vorderde van de dader het tijdens de arbeidsongeschiktheid doorbetaalde nettoloon en daarnaast een bedrag van € 142,80 aan re-integratiekosten. De salonmanager had tien weken re-integratieoverleg gevoerd met de werknemer, een plan van aanpak opgesteld en de administratie rond de re-integratie verricht. Dit deed hij door hier per week één uur tijd aan te besteden tegen een uurloon van € 14,28.

Het Hof oordeelde in deze zaak als volgt over de re-integratiekosten:

De veroorzaker is op grond van artikel 6:107a, lid 3 BW verplicht de door de werkgever gemaakte redelijke kosten om de in artikel 7:658a BW bedoelde re-integratieverplichtingen voor haar arbeidsongeschikte werknemer na te komen te vergoeden. Daarbij geldt een maximum: de werkgever kan de re-integratiekosten verhalen tot ten hoogste het bedrag waarvoor de veroorzaker aansprakelijk zou zijn naar het slachtoffer (het zogenaamde civiel plafond). Dit betekent dat deze kosten alleen door de werkgever kunnen worden verhaald als de werknemer – als hij deze kosten zelf zou hebben gemaakt – deze ook had kunnen verhalen op veroorzaker. Als het slachtoffer zelf iemand had ingeschakeld om hem te helpen bij zijn re-integratie zou hij die kosten hebben kunnen verhalen op de aansprakelijke partij, nu zijn aansprakelijkheid vaststaat.

De gevorderde re-integratiekosten kwamen het Hof ook redelijk voor. De vordering van de werkgever op dit punt was door de kantonrechter dan ook terecht toegewezen. Het Hof onderschreef wat de kantonrechter had geoordeeld. Dat de werkgever een werkneemster in dienst had die belast was met personeelsbeleid waaronder re-integratiewerkzaamheden, maakte het voorgaande niet anders. Het was immers duidelijk dat zij ander werk had kunnen verrichten als zij niet genoodzaakt was om de re-integratie van het slachtoffer te begeleiden. Hier komt nog bij dat re-integratie ook in het belang was van de veroorzaker omdat daardoor de inkomensschade van het slachtoffer werd beperkt. Daarom zijn deze re-integratiekosten ook te beschouwen als kosten om de schade – in de zin van artikel 6:96, lid 2, onder a, BW – te beperken. Deze kosten moesten dus ook op die grond – mits redelijk – door de aansprakelijke partij worden vergoed. De door de werkgever gevorderde kosten voor re-integratie waren redelijk, zodat deze ook op grond van het genoemde artikel voor toewijzing in aanmerking kwamen.

Volgens mij maakt het Hof hier toch een fout door de stellen dat ook de vordering van de re-integratiekosten onder het civiel plafond valt. Juist dit probleem is mede aanleiding geweest om het regresrecht van de re-integratiekosten in een aparte wettelijke bepaling vast te leggen. Dat dit het geval is blijkt uit de Memorie van toelichting (vergaderjaar 2006 – 2007 nummer 31087, nr 3):

In de praktijk is echter onduidelijkheid gerezen over de vraag volgens welke maatstaf beoordeeld moet worden of en tot welk bedrag deze kosten op een aansprakelijke derde verhaald kunnen worden. Dit vindt zijn oorzaak in het zogenaamde civiel plafond. Zowel in artikel 6:107 van het BW en artikel 3 VOA als in artikel 99 van de Wet WIA is immers tot uitdrukking gebracht dat verhaal van deze kosten alleen mogelijk is indien de werknemer, zo hij deze kosten zelf zou hebben gemaakt, deze ook had kunnen verhalen. Er bestaat onzekerheid over de vraag onder welke voorwaarden de (overheids)werkgever respectievelijk het UWV op grond van deze bepaling hun re-integratiekosten kunnen verhalen. Verzekeraars van aansprakelijke derden leggen deze bepaling zo uit dat de (overheids-) werkgever of het UWV aannemelijk moet maken dat, als de (overheids-) werkgever dan wel het UWV de re-integratiemaatregelen niet had genomen, de werknemer ze dan zelf zou hebben genomen. Deze uitleg betekent dat de (overheids)werkgever en het UWV hun re-integratiekosten alleen kunnen verhalen indien aannemelijk is dat de werknemer – zonder de inspanningen van de (overheids)werkgever of het UWV – feitelijk ook zelf deze re-integratie-maatregelen zou hebben genomen. Dit is niet eenvoudig, want de (overheids)werkgever of het UWV moet dan aannemelijk maken hoe de werknemer zou hebben gehandeld in een fictieve situatie. Met dit wetsvoorstel wordt duidelijk gemaakt dat de (overheids)werkgever en het UWV dit niet meer behoeven aan te tonen. Op grond van dit wetsvoorstel kunnen de (overheids)werkgevers en het UWV de redelijke kosten van alle door hun op grond van de wet, of een cao ter invulling van die wettelijke verplichting, genomen re-integratiemaatregelen verhalen op de aansprakelijke derde.

Met andere woorden: de vraag of het slachtoffer deze kosten ook gemaakt zou hebben en voor welk bedrag (civiel plafond) werd niet getoetst. De enige toetsing die de wet kent, is of de door werkgever gemaakte re-integratiekosten redelijk zijn.

Zo staat in de Memorie van toelichting:

Het uitgangspunt dient derhalve te zijn dat de redelijke kosten van re-integratiemaatregelen die een (overheids)werkgever en het UWV verplicht zijn te nemen, verhaald kunnen worden op een aansprakelijke derde.

En ook op wat redelijke kosten zijn geeft de Memorie van toelichting een toelichting:

Dit kan de vraag oproepen of dit niet een te zware last op de aansprakelijke derde legt, omdat deze naar huidige recht niet verplicht is om iedere schadebeperkende maatregel te vergoeden. Dit is hij alleen indien het een maatregel is die, in de zin van artikel 6:96 lid 2, onder a, van het BW, redelijk is. Omdat het evenwel in het aansprakelijkheidsrecht de dader is geweest die door zijn onrechtmatig handelen de benadeelde in deze positie heeft gebracht, kan hij niet spoedig betogen dat een maatregel niet redelijk is. Hij is dan ook spoedig tot vergoeding van de kosten van schadebeperkende maatregelen verplicht, zodat de verplichting om de redelijke kosten van iedere verplicht te nemen re-integratiemaatregel te vergoeden, niet of nauwelijks tot een verzwaring van zijn aansprakelijkheidslast leidt.

Tot slot wil ik nog vermelden dat ik er trots op ben dat ons bedrijf BSA Schaderegeling er de hand in heeft gehad dat het regresrecht voor re-integratiekosten in de wet werd vastgelegd. BSA was destijds onderdeel van Loyalis Verzekeringen te Heerlen. Via onze contacten in de Eerste Kamer destijds hebben wij dit balletje aan het rollen gekregen. Wij hebben er toen meteen een punt van gemaakt dat re-integratiekosten niet onder het civiele plafond zouden moeten vallen. Wat de wetgever dus ter harte heeft genomen.