Deze website maakt gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Dit doen wij om de website goed te laten functioneren, gebruik van de website te laten analyseren en om de gebruikerservaring te optimaliseren. U kunt deze cookies uitzetten via uw browser. Door op akkoord te klikken of door verder gebruik te maken van de website gaat u akkoord met de plaatsing van de cookies. Akkoord Meer informatie

Brandstichting door kind in zorginstelling

Week 41-2019

Je brengt je kind van onder de 14 jaar bij een zorginstelling onder en daar sticht het kind brand. Dan blijf je als ouder toch primair aansprakelijk voor die schade, tenzij je de zorginstelling als toezichthouder eigen schuld kunt verwijten. In deze zaak lukt dat voor 50 procent, dus draaien de ouders op voor andere 50 procent.


Ouders met een kind dat is gediagnostiseerd met autisme en een lichte verstandelijke beperking hebben voor de ondersteuning en begeleiding van hun kind een beroep gedaan op een zorginstelling die pedagogische begeleiding, ondersteuning en kortdurend verblijf biedt aan kinderen met een verstandelijke beperking of problematiek. Het kind verbleef drie dagen per week bij die zorginstelling, omdat het geheel thuis opvangen en begeleiden van het kind teveel druk op de ouders legde. De zorginstelling huurde het pand waarin dit gebeurde.

Op een bepaalde dag heeft het kind tijdens/na het verstoppertje spelen met een aansteker een gordijn aangestoken. Door de brand is schade aan het gebouw ontstaan. Bovendien heeft de zorginstelling extra kosten moeten maken om tijdelijk een ander onderkomen te zoeken. Door de opstalverzekering is een deel van de schade vergoed, echter de vervolgschade niet.

De zorginstelling vordert vervolgens de schade van de ouders van het kind zulks met een beroep op artikel 6:169, eerste lid, BW op grond waarvan er een risicoaansprakelijkheid voor de ouders is, omdat het kind jonger dan 14 jaar is. De ouders voeren verweer en stellen dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de instelling, omdat deze op het moment van de brandstichting haar toezichthoudende taak onvoldoende heeft uitgevoerd. Uit een evaluatie van het gebeuren, dat na het ongeval was uitgevoerd, bleek dat het kind alleen was gelaten, terwijl op het kind continu toezicht moest worden gehouden. Dit te meer omdat het bekend was dat het kind een fascinatie voor vuur had.

De rechtbank

De schadebeperkingsplicht (artikel 6:101, eerste lid, BW) houdt in dat als de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de partij die de schade geleden heeft kan worden toegerekend, deze zelf voor de schade opdraait naar rato van hoeveel zijn gedrag/nalaten heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade, tenzij de redelijkheid een andere verdeling eist.

De rechtbank is van oordeel dat de instelling op het moment van de brandstichting zich niet strikt heeft gehouden aan dat wat in het zorgplan van het kind was vastgelegd. De medewerkers van de instelling konden het kind niet of onvoldoende zien of horen, omdat de tussendeur dicht zat en zij zich op de benedenverdieping bevonden. Er was geen continu feitelijk toezicht op het kind. In zoverre is er sprake van eigen schuld aan de zijde van de zorginstelling.

Voor de mate van eigen schuld is niet alleen de inhoud van het zorgplan van belang, maar ook de gehele context van het verblijf van het kind bij de instelling en de zorg die de ouders daar mochten verwachten. Niet weersproken is dat de instelling groepsbegeleiding biedt, geen gesloten zorginstelling is en dat kinderen als het betreffende kind ’s nachts alleen slapen. Daarnaast had het kind geen indicatie op grond van de Wet Langdurige Zorg.

Er is bij aanvang van het verblijf ook niet met de ouders afgesproken dat er permanent feitelijk toezicht op het kind moest plaatsvinden en gesteld noch gebleken is dat zij dit hebben verlangd nadat het kind eerder ook al had geprobeerd brand te stichten in het schuurtje van de instelling. De instelling heeft na dit incident, en de daarmee gepaard gaande toenemende fixatie voor vuur van het kind, zorgvuldig gehandeld door de voor het kind noodzakelijke begeleiding nader te bezien. Dit heeft er toe geleid dat het zorgplan feitelijk is aangepast en acties zijn ondernomen om de fixatie in te dammen dan wel hanteerbaar te maken. Ook was er op de betreffende dag geen sprake van specifieke signalen die de begeleiding (extra) alert hadden moeten maken op brandgevaarlijk gedrag van het kind. Het kind was die dag juist goed aanspreekbaar en ontspannen. Uit niets blijkt dat door een onzorgvuldigheid aan de zijde van de instelling het kind in het bezit was van een aansteker.

Gelet op het soort instelling en het type zorg dat zij biedt, kan niet worden aangenomen dat continu feitelijk toezicht op het kind mocht worden verwacht door de ouders. Het is niet onbegrijpelijk dat in een instelling als deze, die zich richt op groepsbegeleiding, in individuele situaties mogelijk gevaar door de begeleiders – die niet één op één kunnen werken – niet altijd wordt onderkend of dat daarnaar niet altijd wordt gehandeld. Weliswaar is door de zorginstelling een fout gemaakt door niet afdoende toezicht te houden voorafgaand aan de brandstichting, maar in de bredere context als hiervoor weergegeven rechtvaardigt deze fout niet dat 100 procent eigen schuld aan de zijde van de instelling moet worden aangenomen. De rechtbank stelt, alles afwegende, de eigen schuld vast op 50 procent. Dit betekent dat de ouders ook 50 procent van de schade moeten dragen.

Lees de uitspraak in pdf-formaat
Weten wat BSA voor u kan betekenen? Neem vrijblijvend contact op >

Hebt u vragen? Neem gerust contact op.