Deze website maakt gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Dit doen wij om de website goed te laten functioneren, gebruik van de website te laten analyseren en om de gebruikerservaring te optimaliseren. U kunt deze cookies uitzetten via uw browser. Door op akkoord te klikken of door verder gebruik te maken van de website gaat u akkoord met de plaatsing van de cookies. Akkoord Meer informatie

Rechter zet concurrentiebeding in arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vooralsnog buitenspel.

Week 30-2015

Aanbevolen: lees de uitspraak in pdf-formaat

Het uitgangspunt in de nieuwe Wet werk en zekerheid is dat bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geen concurrentiebeding mag worden opgenomen. De wetgever wil op deze manier het dubbele nadeel voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tegengaan: aan de ene kant een in duur beperkt contract, terwijl aan de andere kant ook een beperking geldt om ergens anders aan de slag te gaan. Een uitzondering op de regel is alleen mogelijk als zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen een concurrentiebeding noodzakelijk maken. De werkgever moet dan bovendien gelijktijdig met het aangaan van het concurrentiebeding een schriftelijke motivering geven waaruit blijkt dat het concurrentiebeding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.

In de onderhavige zaak gaat het met name over de vraag of de werkgever aan de motiveringsplicht heeft voldaan. De focus in deze uitspraak richt zich dan ook primair op deze motiveringsplicht. Waar ging het om?

In deze zaak stapt de heer A, werknemer met een tijdelijk contract bij een detacheringsbureau (hierna: ‘werknemer’), over naar de concurrent. De concurrent biedt werknemer een baan aan die aansluit op zijn ervaring in het bankwezen, alsook een hoger salaris en uitzicht op een vast contract. Werknemer gaat op dit aanbod in en zegt zijn arbeidsovereenkomst met werkgever DPA (hierna: ‘werkgever’) op. Werkgever is van mening dat er voor werknemer een concurrentiebeding geldt en dat werkgever belang heeft bij het handhaven daarvan. Werkgever investeert bijvoorbeeld tijd en geld in de opleiding van zijn werknemers.

Werknemer is het daar niet mee eens en is van mening dat het concurrentiebeding sowieso niet geldt omdat het is opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Mocht de rechter van mening zijn dat het concurrentiebeding toch geldt dan stelt werknemer zich op het standpunt dat hij door de werking daarvan onbillijk wordt benadeeld. Werknemer start een kort geding bij de rechtbank Amsterdam. Werkgever vordert in reconventie handhaving van het concurrentiebeding.

Oordeel van de kantonrechter
Allereerst komen de formele vereisten voor de motivering aan de orde. De rechter oordeelt dat aan de minimale formele vereisten is voldaan.

Dan volgt de inhoudelijke beoordeling van de motiveringsplicht. Het gaat om de vraag of het concurrentiebeding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. De kantonrechter overweegt het volgende. De wetsgeschiedenis van de WWZ biedt nauwelijks aanknopingspunten voor een nadere invulling van het criterium ‘zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang’. Wel wordt in de literatuur aangenomen dat het een zware toets betreft, gelet op het uitgangspunt dat een concurrentiebeding in een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet geldig is. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat sprake dient te zijn van ‘specifieke werkzaamheden’ of een ‘specifieke functie’ die per geval een afweging en een motivering vergt.

De kantonrechter komt tot de conclusie dat op voorhand kan worden vastgesteld dat werkgever de genoemde zwaarwegende bedrijfsbelangen onvoldoende concreet heeft gemaakt. Volgens de kantonrechter had het op de weg van werkgever gelegen om onder andere het opgebouwde netwerk, marktgebied, de behoeften en de werkwijze van werkgever nader te onderbouwen. Dat is onvoldoende gebeurd. Ook ontbreekt inzicht in welke specifieke kennis en vertrouwelijke bedrijfsinformatie er bij werkgever zal worden verworven en beschermd moet worden. In dit verband is van belang dat werkgever een detacheringsbureau is en de werknemers bij verschillende opdrachtgevers te werk worden gesteld, en feitelijk doorgaans niet bij werkgever zelf. Bovendien kunnen de feitelijke werkzaamheden van de functie nog van geval tot geval verschillen.

De kantonrechter vervolgt dat werkgever de nadruk heeft gelegd op de investering in de opleiding van zijn werknemers en dat hij hen bij zoveel mogelijk opdrachtgevers werkervaring laat opdoen, maar waarom dit bescherming behoeft in de vorm van een concurrentiebeding (en niet in een studiekostenbeding of een geheimhoudingbeding) is ook onvoldoende onderbouwd. Al met al acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter het concurrentiebeding later zal vernietigen. Met als reden dat uit het concurrentiebeding onvoldoende blijkt om welke concrete zwaarwegende bedrijfsbelangen het gaat en dat niet aan het noodzakelijkheidsvereiste is voldaan.

Tot slot moet – los van de motiveringsplicht – nog worden beoordeeld of werknemer onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van werkgever. Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter weegt in deze zaak het belang van werknemer – om door schorsing van het concurrentiebeding in staat te worden gesteld bij concurrent in dienst te treden – zwaarder dan het belang van werkgever bij handhaving daarvan. Het vorenstaande leidt ertoe dat de kantonrechter – bij wege van voorlopige voorziening- het concurrentiebeding schorst.

Advies
Op basis van deze eerste uitspraak is ons advies om de zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zo veel mogelijk te concretiseren. Beschrijf wat er zo bijzonder aan is en waarom dat beschermd moet worden door een concurrentiebeding. Het is onvoldoende om te volstaan met de vermelding dat de kennis, functie en werkzaamheden van de betreffende werknemer uniek zijn. Dus niet alleen: ‘werknemer beschikt over concurrentiegevoelige informatie’, maar omschrijf waar het daarbij om gaat. Bijvoorbeeld: ‘Werknemer ontwikkelt medicatie X. Hij beschikt over de kennis en kunde dit medicijn te vervaardigen. Medicijn X staat aan de basis van de ontwikkeling van nieuwe producten in de onderneming.

Medicijn X is daarmee (zowel in financiële zin als ook voor de ontwikkeling en voortgang van de onderneming) belangrijk en dient beschermd te worden tegen ondernemingen die ook op deze markt actief zijn’.

Vindplaats: ECLI:NL:RBAMS:2015:4864

Weten wat BSA voor u kan betekenen? Neem vrijblijvend contact op >

Op de hoogte blijven?

Blijf op de hoogte van de ontwikkelingen rondom de dienstverlening van BSA.