Deze website maakt gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Dit doen wij om de website goed te laten functioneren, gebruik van de website te laten analyseren en om de gebruikerservaring te optimaliseren. U kunt deze cookies uitzetten via uw browser. Door op akkoord te klikken of door verder gebruik te maken van de website gaat u akkoord met de plaatsing van de cookies. Akkoord Meer informatie

Vertrekregeling Belastingdienst door rechter “uitgebreid”

Week 09-2019

We hebben allemaal in de krant kunnen lezen over de uitermate riante vertrekregeling van de Belastingdienst, die er toe geleid heeft dat ervaren ambtenaren massaal de Belastingdienst hebben verlaten. Dat heeft grote gevolgen. Zo meldde de media dat daardoor nu zo’n 25.000 als dubieus aangemerkte aangiften alsnog door de Belastingdienst worden geaccepteerd met tientallen miljoenen aan gemiste belastinginkomsten als gevolg. Dit komt boven op de enorme kosten van de vertrekregeling die worden betaald van ons belastinggeld.


Een beslissing van de rechter heeft er toe geleid dat nog meer ambtenaren van de vertrekregeling gebruik mogen gaan maken dan dat de Belastingdienst kennelijk zelf had bedoeld.

Een douaneambtenaar, die vanaf 2014 levensloopverlof had opgenomen, tegelijk gebruik gemaakt had van de Pas-regeling, gedeeltelijk met keuzepensioen was en tevens een WIA uitkering had, verzocht om ontslag per 1 mei 2016 en vroeg daarbij meteen een stimuleringspremie aan voor directe uitstroom.

De werkgever heeft die uitkering afgewezen, omdat de stimuleringspremie bedoeld is om als prikkel te dienen voor vrijwillig vertrek. Volgens de feiten en omstandigheden had de man bij inwerkingtreding van paragraaf 1.7B van de PUB duidelijk al het voornemen om de Belastingdienst te verlaten, zodat stimulering van het ontslag niet meer nodig was. Inwilliging van het verzoek om ontslag met gebruikmaking van de regeling zou in strijd komen met de strekking van de vertrek bevorderende maatregelen.

Centrale Raad van Beroep

Bij de vertrekregeling is bewust en nadrukkelijk de keus gemaakt om geen specifieke doel- en functiegroepen van ambtenaren aan te wijzen voor de vrijwillige fase. Betrokkene valt dus onder de reikwijdte van de stimuleringsmaatregelen van deze regeling.

Het gebruik maken van de Levensloopregeling in combinatie met het voornemen om na afloop van de levensloopperiode(s) niet meer terug te keren naar de werkvloer en (vervroegd) met pensioen te gaan, staat niet in de weg aan het toekennen van de stimuleringspremie. De Raad acht daarbij van belang dat de periode van levensloopverlof nu eenmaal gekenmerkt wordt door een ‘open einde’, in die zin dat er geen verplichting bestaat om aansluitend aan de periode van levensloop ontslag te nemen en dat een medewerker ook niet de mogelijkheid kan worden ontzegd om weer terug te keren in het werkproces. Dat wordt niet anders doordat betrokkene feestelijk afscheid heeft genomen, waarbij een tegemoetkoming is verleend uit hoofde van het “Beleid Ambtsjubilea en Recepties”, en het voornemen heeft geuit na afloop van de periode(s) van levensloopverlof niet meer terug te keren naar de werkvloer of de indruk heeft gewekt dat hij dit voornemen had.

Het open einde-karakter van de levensloopregeling brengt naar het oordeel van de Raad voorts mee dat de staatssecretaris, indien hij de medewerkers die gebruik maken van levensloop en het voornemen hebben geuit om na afloop daarvan niet meer terug te keren in het werkproces en aansluitend aanspraak te maken op hun (keuze) pensioenuitkering dan wel afscheid hebben genomen had willen uitsluiten van paragraaf 1.7B van de PUB, een uitdrukkelijke uitzondering van die strekking had moeten maken in de regelgeving.

Dat voor deze medewerkers de pensioendatum veelal niet meer veraf is, vormt geen reden om hier anders over te oordelen. Immers, ook medewerkers die nog wel werkzaam waren en op termijn de AOW-leeftijd zouden bereiken en die voornemens waren dan met pensioen te gaan zijn niet uitgezonderd van de regeling. De Raad kan niet inzien waarom medewerkers die voor levensloop hebben gespaard en een periode van levensloop hebben opgenomen, in welke periode zij een uitkering ontvangen uit hun gespaarde levenslooptegoed, met het voornemen met (vervroegd) pensioen te gaan, wel uitgezonderd zouden zijn. Bovendien staat niets eraan in de weg om tijdens een periode van levensloop ontslag te nemen.

Nu vaststaat dat de man door de stimuleringsmaatregel genoemd in de variant A ertoe is bewogen om zijn verzoek om ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie in te dienen, heeft de staatssecretaris dat verzoek ten onrechte afgewezen.

Lees de uitspraak in pdf-formaat
Weten wat BSA voor u kan betekenen? Neem vrijblijvend contact op >

Hebt u vragen? Neem gerust contact op.